Veel wetenschapsgeld verspild aan wegwerppromovendi

Vlaamse onderzoekers brachten kort geleden nieuws waar men al tijden voor vreesde: het doen van een promotie gaat gepaard met een uitzonderlijk groot risico op geestelijke gezondheidsklachten. Het is daarom niet verrassend dat in dezelfde studie het percentage promovendi dat voortijdig stopt tussen de 30 en 50 % wordt geschat. Stoppen met een promotie is echter niet alleen een persoonlijk drama voor promovendi, het is ook een enorme verspilling van gemeenschappelijke middelen en talent en er gebeurt weinig om dit probleem op te lossen.

Het is geen makkelijke beslissing om een promotie te staken. Een promotie is van zichzelf al een flinke uitdaging maar zelfs er echt beren op de weg komen wegen de voordelen van het stoppen niet snel op tegen de nadelen. Een promotieproject is namelijk kostbaar voor de promovendus. Deze moet vaak stevig investeren in zijn project en dat vertaalt zich in vele uren overwerk; voor de klas, in het lab en achter het bureau. Allemaal tijd en inzet die verloren voelen als je de beloning van dit huzarenstukje: de doctorstitel, niet kunt ophalen aan het eind.

Het is eerder een laatste redmiddel om te stoppen dan dat het wordt gezien als ‘gewoon even switchen van baan’. En onder meer om deze redenen zou je verwachten dat er dus niet veel promovendi zijn die voortijdig de pijp aan Maarten geven. Het is dan ook verrassend te lezen in het Vlaamse onderzoek dat wereldwijd naar schatting maar liefst 30 tot 50 procent van de promovendi voortijdig stopt. In Nederland zijn er wel cijfersbeschikbaar -één op de drie maakt het niet af- maar de dataset slaat slechts op een beperkt deel, de ‘standaardpromovendi’. Er is nooit goed vergelijkend onderzoek gedaan tussen universiteiten.

Enorm verlies

Dat zo’n aanzienlijk aandeel promovendi voortijdig stopt is ronduit zonde te noemen. Niet alleen omdat een dergelijke beslissing maar al te vaak met persoonlijk drama gepaard gaat, maar ook omdat het een verspilling is van tijd en middelen die de maatschappij vrij heeft gemaakt voor de wetenschap. En daar springt die wetenschap maar slordig mee om.

Veel van het wetenschappelijk onderzoek, naar schatting meer dan de helft, wordt in feite uitgevoerd door jonge onderzoekers – promovendi of post-docs. Deze worden in hun eentje of met een handjevol collega’s op een project gezet. Als de jonge onderzoeker, in feite dus de hoofdonderzoeker, besluit te stoppen dan gaat dit vaak gepaard met een enorm verlies van kennis en expertise en komt het onderzoek piepend en krakend tot stilstand.

Hoe zijn we in deze situatie beland?

Een verklaring daarvoor is dat ons wetenschapsbedrijf in toenemende mate een projectmatige aangelegenheid is geworden. De primaire route om tot ‘output’ te komen (wetenschappelijke publicaties, proefschriften) is het verkrijgen van beurs voor een onderzoeksproject, daar worden promovendi over het algemeen op aangesteld. En het gaat daarbij niet om klein bier, alleen al de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek verstrekt jaarlijks zo’n grove 800 miljoen euro aan onderzoeksbeurzen.

Dit systeem heeft als voordeel dat je geheel toegewijd een dikke vier tot vijf jaar kunt werken aan een onderwerp, met genoeg toewijding en middelen om een verschil te maken. Maar er zijn ook nadelen aan dit systeem. Een van die nadelen is dat deze manier van werken bijzonder veel druk zet op de promovendus (en de begeleider) om de vaak extreem ambitieuze doelstellingen uit de aanvraag – denk aan termen als baanbrekend, excellent en innovatief etc. etc. – te behalen. Voor een categorie medewerkers voor wie dit de eerste echte baan is die ze ooit hebben gehad is dat nogal veel druk.

Collectief overwerkt

Het is dan ook niet verrassend dat de Vlaamse onderzoekers als grootste voorspellers voor de psychische gezondheidsproblemen werk/privé-conflicten, het gevoel van verlies van controle en de hoge eisen van hun baan aanwijzen. Deze aspecten zijn allemaal inherente uitdagingen van een promotie, maar de grote druk om te presteren die voortvloeit uit de competitieve financiering, de instituten en de senior onderzoekers helpt niet bepaald mee om de situatie te verzachten.

Waar dit alles in uitmondt is een aanzienlijk gedeelte van de (jonge) wetenschappers dat collectief overwerkt is. In de eerste plaats omdat ze gedreven zijn in hun onderzoek, maar ook omdat ze niet anders kunnen. En die enorme drive gaat gepaard met grote gezondheidsrisico’s (2 tot 3 keer zo groot als bij hoogopgeleide leeftijdsgenoten) en een fikse uitval van 30 tot 50 procent.

Waarom is deze sector zo spilziek?

Een promotietraject is allereerst een verhaal van veel investeren. Er gaat veel tijd en energie in de training van jonge wetenschappers zitten. In de eerste jaren van een promotie zijn promovendi veelal bezig met het opzetten van hun onderzoeksproject, het opbouwen van een onderzoeksopstelling en zich inlezen in de vakliteratuur. En vaak wordt er naast een fikse tijdsinvestering ook materieel aangekocht om het onderzoek mee te doen natuurlijk.

Het is dan ook algemeen bekend dat de echte ‘pay off’ hem zit in de latere jaren van een promotie, wanneer de promovendus het onderwerp de baas is en de resultaten beginnen binnen te druppelen. Het is dus simpelweg een slechte investering als een promovendus voortijdig stopt. De investering van de geldschieter, de tijd van de begeleider gaan verloren en niet in de laatste plaats loopt de carrière van de promovendus een fikse deuk op.

Onderzoek stopt

Als je soms dacht: ‘dan zoeken we toch gewoon iemand om het werk af te maken’ dan is het teleurstellende antwoord dat dit nu precies is waar de schoen knelt. Omdat de projectmatige bekostiging steeds meer de standaard wordt, en de vaste geldstroom van universiteiten steeds vaker wordt aangewend om deze projecten ‘te matchen’ (de instelling legt geld bij op het externe geld als beloning en om onderzoekers te accommoderen) blijft er weinig geld over voor wetenschappers in vaste dienst.

Wanneer het vertrek van een promovendus een onderzoeksproject noodgedwongen stillegt is er dus niet vanzelfsprekend iemand om dit op te vangen. Het gevolg: verlaten onderzoeksopstellingen, overvolle koelkasten met experimentele monsters en manuscripten die nooit afgemaakt worden.

Je zou dus denken dat een schrikbarend percentage promovendi dat stopt de hoogste prioriteit zou hebben onder academici. Maar opvallend genoeg hebben de meeste instellingen niet eens echt een goed overzicht van het aantal promovendi dat ze aanstelt, laat staan dat ze weten hoe veel mensen er vroegtijdig stoppen – en waarom. Het tegenovergestelde lijkt eerder het geval. Wanneer een promovendus stopt, dan is de gangbare reactie dit met de mantel der liefde te bedekken. Het is een onderwerp waar niet echt over gesproken wordt, laat staan dat er op gehandeld wordt. Het bureau waar de jonge onderzoeker voorheen zat blijft leeg, en men gaat over tot de orde van de dag.

In Vlaanderen is men Nederland dus in ieder geval op een gebied voor: men heeft tenminste een samenhangend overzicht van wat het percentage promovendi is dat stopt en ook krijgen ze een steeds beter beeld van waarom. Dit onderzoek zou dan ook een ‘wake up call’ moeten zijn: promovendi stoppen bij bosjes. De maatschappij, en dus de overheid, zou zich moeten realiseren dat dit net zo goed zijn probleem is als van de promovendi.

Het feit dat het over het algemeen publieke middelen betreft zou genoeg reden moeten zijn om te willen weten wat hier aan de hand is. We moeten beter in kaart brengen hoe het met onze promovendi gesteld is, ook nadat ze zijn gestopt met promoveren. Hopelijk kunnen we er achter zien te komen hoeveel promovendi er in Nederland stoppen en belangrijker: waarom ze stoppen. Ik ben benieuwd wat we te weten komen als we vervolgens ook de ‘waarom’-vraag kunnen beantwoorden.

Dit artikel publiceerde ik op 4 mei op de NRC site.

 

Advertenties

Column Swammerdam: Vluchtelingen

Deze column sprak ik uit in de uitzending van Radio Swammerdam op 19 maart 2017. Luister hem hier terug.

In de zomer van 1955 voer een van de vlaggenschepen van de Holland Amerika lijn, de Nieuw Amsterdam, uit vanuit de haven van Rotterdam. Op het dek stond een negentienjarige Wouter van Ast te zwaaien met een rode zakdoek. Beneden op de kade stond zijn moeder Joanna Evertse, die buitenzinnig was van verdriet. Haar huilen werd getroost door haar dochter Jannie de Knecht: Mijn oma.

Het was niet de laatste keer dat mijn oma haar moeder moest troosten want twee jaar later emigreerde ook haar jongere broer Paul naar Verenigde Staten. Ook hij ging zijn geluk zoeken in het beloofde land aan de overkant van de oceaan. Hij had van zijn broer Wout gehoord hoe prachtig Amerika was, en hij was er zeker van dat hij snel een mooie baan in een fabriek zou vinden.

Dat lukte ook.

Door te liegen over zijn opleiding, Paul zei werktuigbouwkundige was terwijl hij eigenlijk timmerman was, vond ook hij een prachtige baan bij een fabriek in Burbank, California. De naam van het bedrijf: Lockheed, het latere Lockheed Martin. Hij werkte er tot aan zijn pensioen.

Vanaf de Tweede Wereldoorlog had de familie Van Ast bijzonder zware jaren gehad. In de oorlog werden ze door de Duitse bezetter op een dag grofweg uit hun huis in Zierikzee gezet. Het eiland Schouwen-Duivelland zou misschien onder water worden gezet om de geallieerde opmars te stoppen, en dus moest de familie opvang zoeken in de regio. Na lang zoeken en smeken om hulp vonden zij onderdak in Sliedrecht, waar de familie de hongerwinter maar nauwelijks overleefde.

Toen na de oorlog bleek dat het hele huis in Zierikzee leeggeroofd was besloot de familie in Sliedrecht te blijven en hun leven weer op te bouwen. En toen dat begin jaren vijftig weer een beetje op gang kwam trof het noodlot de familie van mijn oma opnieuw. In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 trof een zware stormvloed in combinatie met het springtij de Hollandse kust. De dijk bij Sliedrecht bleek niet bestand tegen zo veel geweld en bezweek onder de slaande golven. Voor de tweede keer was de familie van mijn oma huis en haard kwijt en waren ze vluchteling geworden.

Voor de tweede keer was de familie van mijn oma huis en haard kwijt en waren ze vluchteling geworden.

Waarom ik vertel over mijn familiegeschiedenis? Dat zal ik uitleggen. Mij was voor vandaag gevraagd om iets over taal te vertellen en of ik dat misschien kon koppelen aan de politiek. En nu is mij opgevallen dat er tijdens de verkiezingscampagne bijzonder creatief werd omgegaan het taalgebruik rond wat in neutrale termen het migratievraagstuk is gaan heten.

Het was jullie vast opgevallen dat ik in het verhaal de termen vluchteling en gelukszoeker liet vallen. Het zijn de termen die in de partijprogramma’s en debatten zijn gebruikt om een categorie, en in veel gevallen een kwalificatie, te geven voor mensen die om de een of andere reden huis en haard achter zich hebben gelaten om naar Europa te komen. Sommige partijen verbieden beide groepen de toegang, anderen maken een uitzondering voor wat zij als vluchteling bestempelen.

Wat ik niet weet is of je dat onderscheid nu werkelijk zo hard en duidelijk kunt maken. En ook niet of je dat nu eigenlijk wel moet maken. Behalve dat er een politieke realiteit is waarin partijen continue bezig zijn om hun verhaal zo goed mogelijk te verkopen – een gelukszoeker is ook een economische vluchteling bijvoorbeeld – is het de vraag of we hierdoor dichter bij een oplossing komen.

Het is de overtuiging van mijn oma dat de wereld alleen maar beter kan worden door elkaar iets te gunnen.

Wat ik wel weet is dat ik er niet zou zijn geweest, als niet een paar keer in de geschiedenis mensen de familie mijn oma hadden geholpen. En dat het feit dat ik hier nu ben, en samen met mij nog meer kleinkinderen, voor mijn oma een reden is om nog altijd vluchtelingen te helpen – ook als ze alleen maar op zoek zijn naar een beetje geluk. Het is haar overtuiging dat de wereld alleen maar beter kan worden door elkaar iets te gunnen, en die deel ik met haar.

Op dit moment zitten er alleen al op het eiland Lesbos duizenden mensen die wij bestempelen als gelukszoekers en vluchtelingen. En ook deze week kwamen daar, door weer en wind, weer honderd bij. Het zijn, net als oom Wout, de oudste en meest ambitieuze zonen van gezinnen die de oversteek naar Europa wagen. Het zijn families die door rampspoed huis en haard hebben verloren en op zoek zijn naar een nieuw leven.

Opgesloten in een tentenkamp in de sneeuw is het lastig om te bouwen aan een nieuw leven, en is het geluk soms ver te zoeken. Deze situatie sleept nu al meer dan een jaar voort, zonder dat iemand daar beter van wordt. Laten we dus maar ophouden met de discussie over hoe we ze deze mensen het best kunnen categoriseren, en ze een kans geven mee te doen voordat zij het enige verliezen dat hen nog resteert: hoop.


Column Swammerdam: koloniaal verleden

Eind 2016 publiceerde de commissie van Gloria Wekker haar eindbevindingen over de sociale gelijkheid en diversiteit op de Universiteit van Amsterdam. Het rapport wekte veel, soms erg heftige, reacties op; aan de UvA maar ook in de rest van het land.

Lijnrecht tegen de expliciete bedoelingen van de commissie in dook iedereen op de vraag of er quota moesten komen en werden excellentie en diversiteit in de Twittersphere tegen elkaar uitgespeeld alsof ze elkaar uit zouden sluiten.

Zoals vaker werd er een discussie gevoerd over de, in dit geval vermeende, aanbevelingen zonder dat er een echt gesprek op gang kwam over de achterliggende analyse. In dit geval die van de sociale ongelijkheid op de universiteit – die er voor alle helderheid gewoon is – en de oorzaken daarvan.

Op ironische wijze werd er dus een ongeïnformeerd debat gevoerd over een rapport dat toch voornamelijk als doelstelling had om te informeren.

Toch kon ik veel van de reacties ook wel begrijpen. Een van de uitgangspunten van het rapport: ons koloniale verleden en de doorwerking daarvan in de huidige tijd, zijn voor lang niet iedereen gesneden koek. Ook voor mij niet. En ook lang niet iedereen kon zich herkennen in deze lezing dat dit de hoofdoorzaak van ongelijkheid was.

Het is gewoon confronterend om te horen dat de manier waarop jij de dingen nu eenmaal doet door anderen als uitsluiting wordt ervaren. De beschuldiging een ‘racist’ te zijn, of ook maar de suggestie daarvan, doet pijn – gelukkig maar. Zeker als je wordt gewezen op het negatieve effect dat jouw eigen gedrag en omgangsvormen hebben op mensen met wie je het juist heel goed kunt vinden.

Nu het rapport al even achter ons ligt, en er redelijk volatiele verkiezingen voor de deur staan, wilde ik het rapport toch nog een keer onder de aandacht brengen. Want volgens mij is de strekking van het rapport een hele belangrijke. Deze is dat er naast meer fysieke diversiteit tussen mensen er ook een veel uitgebreidere kennisbasis moet komen op de universiteit en daarbuiten. De oproep in het rapport is onder andere om de zogenaamde ‘canon’ van kennis uit te breiden en veel meer perspectieven te bieden dan alleen die passen binnen de Europese en Amerikaanse tradities.

Kort gezegd dus vooral een oproep om op zoek te gaan naar nieuwe kennis en achtergronden en een uitdaging om ook vooral eens de waarden en waarheden die voor jezelf vanzelfsprekend zijn nog eens tegen het licht te houden. Een oproep tot nieuwsgierigheid dus – en dat is iets wat elke academicus aan zou moeten spreken.

De commissie stelde hier ook gelijk bij dat dit geen gemakkelijke opgave is, en dat het hard nodig is om de zogenaamde geletterdheid in het gesprek over diversiteit te brengen. En dit is een gedachte die me letterlijk geïntrigeerd heeft en ook direct weer aansluit bij dat heftige debat dat uitbrak na de presentatie van het rapport. Min of meer stelde de commissie dat de taal waarmee we met elkaar praten over diversiteit en ons complexe verleden in de wereld eigenlijk te eenvoudig is, en ongeschikt om fatsoenlijk van gedachten te kunnen wisselen.

Zo’n taal en een dergelijke verbreding van perspectieven komen er denk ik niet zonder dat we onze gezamenlijke kennisbasis verbreden. Het is wel handig om iets te weten over het koloniale verleden van Nederland, voordat je kunt toetsen en interpreteren wat de effecten hiervan zijn op de dagelijkse praktijk.

Ik heb het ook altijd heel vreemd heb gevonden dat er bij het vak geschiedenis zo weinig aandacht was voor het koloniale aspect van de Gouden Eeuw, en dat ik op school nooit iets heb geleerd over de onafhankelijkheidsstrijd in Indonesië. Ik was dan ook positief verrast om in bij de samenstelling van de partijprogramma’s van de verschillende partijen de suggestie langs te zien komen om deze onderwerpen op te nemen in het eindexamen.

Het onderwerp diversiteit zal de aankomende tijd een steeds groter onderwerp worden en een ongeïnformeerd debat hierover eindigt al snel op een vervelende plek in loopgraven. Daarom omarm ik de aanbeveling van de commissie wekker om onze collectieve kennisbasis te verbreden, en ons wat meer te interesseren in het perspectief van de ander.

Deze column sprak ik uit in het Radioprogramma Swammerdam op 26 februari 2017.


Daar ga ik niet over

Dit artikel publiceerde ik eerder op deFusie, het werd in de kerstvakantie ineens weer relevant. 

Het is dinsdagavond, kwart over zes en de intercity richting Maastricht rijdt Amsterdam Amstel binnen. Bij het opengaan van de deuren beweegt het perron zich en masse in de richting van de deur waar zij wordt tegengehouden door de conducteur. ‘We zijn vol, u moet wachten tot de volgende trein.’ Een van de aspirant-passagiers beklaagt zich bij de conducteur en suggereert: ‘Er kunnen toch weleens wat meer treinstellen aangezet worden?’ ‘Daar ga ik niet over, mevrouw.’ is de tegenwerping van de conducteur.

Het is een bekend antwoord. Maar is dat nou wel zo? Gaat hij er helemaal niet over? Op dat specifieke moment heeft hij natuurlijk niets te zeggen over het aantal treinstellen achter de locomotief, maar in het algemeen wel degelijk. En als een conducteur geen invloed kan uitoefenen op iets simpels als de vraag hoe lang een trein is, terwijl hij nota bene de hele dag door diezelfde trein loopt, dan dringt de vraag zich op wie er dan wel over gaat.

Maar eerst: gaat de conducteur er écht niet over? Strikt ‘juridisch-zakelijk’ genomen zal dit wel kloppen. Hij is ingehuurd om de deuren te openen en op het juiste moment te sluiten, informatie te verstrekken aan passagiers, incidenten het hoofd te bieden en boetes uit te delen aan zwartrijders. Tot zo ver een overzichtelijk takenpakket.

De opvatting dat de conducteur niks te verwijten valt knelt omdat deze zijn werk natuurlijk niet goed kan doen in een veel te volle trein. Het is lastig kaartjes controleren wanneer de gangpaden zich vullen met hurkende passagiers. Grote drukte in de trein leidt tot het ontstaan van irritatie en agressie, waar de conducteur dan weer bij in moet grijpen.

Het New Public Management wordt vaak aangewezen als oorzaak van veel van dit type problemen. Het volgt uit de naamgeving dat het verwijt dus ook aan het adres van managers en bestuurders is. De bekende kritiek is dat ze de boel verpest hebben en de werkvloer hun zeggenschap hebben ontnomen. De simpele werknemer windt zich misschien nog weleens op over een kerstpakket maar liever schikt deze zich mokkend in de kadaverdiscipline: ‘daar ga ik niet over’.

In deze houding zit zowel het probleem als de oplossing

In deze houding zit zowel het probleem als de oplossing. Besluiten over de werkvloer worden vaak niet op de werkvloer genomen en dat is niet zo’n slimme aanpak. Ideeën die van veraf een goede oplossing lijken, hebben meer dan eens nadelige effecten en die kunnen hun doel – in de regel kostenbesparing – compleet voorbijstreven. Vanuit het hoofdkantoor is het lastig om rekening te houden met de praktische uitwerking en beperkingen van je beleid.

Als werknemers het opgeven om een bedrijf of instelling beter te laten lopen, moet je je als organisatie zorgen gaan maken. Niet alleen omdat het ‘niet leuk’ is voor mensen om er te werken maar omdat belangrijke signalen over het (mis)functioneren van de organisatie niet meer doorkomen. Dit maakt een organisatie onvermijdelijk zwakker. Uiteindelijk is deze defaitistische houding net zo schadelijk voor het bedrijf als voor de werknemers.

De echte mogelijkheden voor verandering liggen niet bij de bestuurder of de manager maar bij de gewone werknemer. Deze moet zich realiseren dat die het verschil kan maken door trots te zijn op zijn werk en samen met collega’s een betere organisatie te maken. De vraag die overblijft is natuurlijk of dit van een eenvoudige conducteur gevraagd kan worden. Hij is toch maar een gewone werknemer. Het antwoord op die vraag is alsnog een welluidend ‘ja’.

De mate van meestribbelen in organisaties is zorgwekkend

Dat komt door de valse tegenstelling die de conducteur als werknemer ofconsument ziet; hij is beide. Hij reist immers zelf ook met de trein, en anders familie of vrienden wel. Het slecht (kunnen) uitoefenen van je werk heeft evengoed nadelige gevolgen voor onszelf en de mensen om ons heen. De NS moet dit weten want ze doet nota bene zelf ook weleens een beroep op haar mensen, bijvoorbeeld als ze haar personeel verbiedt binnen de spits met de trein te reizen. Laat ze dan ook maar naar diezelfde mensen luisteren als ze verbeteringen aandragen. Als je dit niet doet, dan wordt de bereidheid onder werknemers om positief bij te dragen ook kleiner.

De spanning tussen bestuurders en werknemers is er een van alle tijden, en die zal waarschijnlijk altijd blijven. Maar de mate van meestribbelen in organisaties is zorgwekkend. De oorzaken hiervoor liggen waarschijnlijk in de steeds veranderende arbeidsmarkt. De huidige werknemer-werkgever verhouding kenmerkt zich door steeds verdere flexibilisering en het afbrokkelen van secundaire arbeidsvoorwaarden; geen ideale omgeving voor tegenspraak.

En toch is verzet tegen de ‘daar-ga-ik-niet-over’ houding nodig, maar op een andere manier dan het bovenstaande wellicht doet vermoeden. Dit is geen oproep om het werk neer te leggen, te staken of de boel plat te leggen. Het is het tegenovergestelde. Het is een appel op de werknemer en de consument, vereenzelvigd in de burger, om het beter te doen als het beter kan door constructief tegen te stribbelen.

Er zijn talloze kleine ontregelingen mogelijk die de wereld een beetje beter te maken

We moeten zelf weigeren om slecht beleid uit te voeren, zelf verbeteringen voorstellen en ze desnoods zelf ongeautoriseerd uitvoeren. De conducteur is in zijn eentje maar kan samen met zijn collega’s besluiten om collectief actie te ondernemen. Misschien door de volgende keer hun collega op het derangeerterrein te overtuigen om er nog een wagon aan vast te hangen of een dubbeldekker mee te nemen. Misschien door bij een vertraagde aansluiting een keer iets later te fluiten als dat de reizigers helpt in plaats van het dienstrooster. Er zijn talloze kleine ontregelingen mogelijk die de wereld een beetje beter te maken.

Wanneer je jezelf of een ander de aankomende tijd nog eens betrapt op de zin: ‘Daar ga ik niet over.’, denk dan nog eens goed na en stel de vraag: ‘Is dat wel zo?’. Alleen op die manier vernietigen we de valse tegenstelling tussen werknemer en consument en worden we burgers met de bijbehorende burgerlijke verantwoordelijkheid.


Aan de universiteit hoeft een docent niet gekwalificeerd te zijn

Sinds dit jaar doe ik af en toe een bijdrage aan het onderwijsblog van nrc.nl, dit was de tweede.

Het heeft me altijd verbaasd dat van alle plekken waar lesgegeven wordt, de universiteit de enige is waar je niet gekwalificeerd hoeft te zijn om voor de klas te staan. Van het primair onderwijs tot aan het hbo is het de normaalste zaak van de wereld dat docenten een graad moeten behalen voordat ze voor de klas mogen. Maar kennelijk vergt het lesgeven aan academici geen voorbereiding of training.

Waarom docenten op de universiteit geen graad hoeven te hebben is me nooit echt duidelijk geworden. De impliciete gedachte lijkt te zijn dat als je eenmaal academisch opgeleid bent, je automatisch ook geschikt bent om academici les te geven. Wat de reden ook moge zijn is het denken hierover de laatste jaren gelukkig aan het veranderen. Door het beruchte ‘rendementsdenken’ is het zelfs in een stroomversnelling geraakt.

Toen de instellingen en het ministerie een paar jaar geleden de zogenaamde ‘prestatieafspraken’ maakten die de uitval moesten beperken en de doorstroom bevorderen werd nog een andere afspraak gemaakt. Blijkbaar werd ergens in een vergadering de vraag gesteld of docenten aan de universiteit wel goed genoeg waren om zulke wonderlijke verbeteringen van de rendementen waar te maken. Als extra afspraak werd vastgesteld dat het percentage docenten met een kwalificatie omhoog moest.

Universiteiten hebben hiervoor de zogenaamde BasisKwalificatie Onderwijs (BKO) ingevoerd: opleidingsprogramma’s om zittende docenten (bij) te scholen en nieuwe docenten voor te bereiden op het docentschap. Toegegeven, het zijn vaak redelijk beperkte scholingstrajecten die een portfolio en een paar dagdelen cursus inhouden, maar het is in ieder geval beter dan niets.

Bij de evaluatie van de prestatieafspraken rapporteerden de universiteiten trots dat meer dan 80% van hun docenten een BKO of hoger had. Dat is ongelooflijk nieuws, en het klinkt te mooi om waar te zijn.

Als je goed naar de definities kijkt, en andere cijfers er bij pakt, dan is dat ook zo. Want wie geven er les op de hedendaagse universiteit? Dat zijn echt niet alleen de vaste krachten, de universitair (hoofd)docenten die meegaan in de cijfers voor het percentage. Het zijn ook de legio tijdelijke krachten, de juniordocenten en promovendi, die grote delen van het onderwijs verzorgen. Deze doen over het algemeen niet mee in de statistieken die instellingen in hun jaarverslagen zetten, en laten dit nu precies die docenten zijn waarvan een rapport kort geleden uitwees dat 35% zonder enige scholing voor de klas staat.

‘Ik heb er niets aan’

Ik heb als promovendus vijf jaar gedoceerd aan de universiteit en ik gaf les aan eerstejaars masterstudenten. Dit hield onder andere in dat ik werkgroepen en practica gaf, maar ook dat ik studenten begeleidde in stages, scripties en schrijfopdrachten. Omdat ik het afgelopen jaar ook een reeks hoorcolleges ging geven en het mijn laatste jaar was, vroeg ik mijn leidinggevende of ik deel kon nemen aan zo’n BKO-traject om een kwalificatie te halen. Het antwoord was net zo kort als dat het onbevredigend was: ‘Nee.’

De redenering was simpel: ‘Ik heb er niets aan, het instituut heeft er niets aan, en jij bent na deze promotie toch weg. Waarom zou ik er in investeren?’ Dat ik er als persoon wel wat aan zou hebben, bijvoorbeeld in een volgende baan, was geen overtuigend argument. Als het echt nodig was, zou er wel een briefje geschreven worden: ‘Bovendien, het is toch een flutcursus zo’n BKO.’

De discussie over de kwaliteit van het BKO daargelaten raakt deze redenering aan de kern van wat er fout gaat op veel instellingen. Het wordt niet als winst gezien om te investeren in je mensen als het zich niet direct terugbetaalt. Dit is een opmerkelijke houding van universiteiten, helemaal omdat het publieke instellingen zijn.

Universiteiten hebben een maatschappelijke functie en die beperkt zich niet tot het afleveren van studenten of het genereren van kennis – een universiteit heeft ook een missie om goede werknemers af te leveren aan de maatschappij. Het docentschap heeft niet alleen grote toegevoegde waarde voor het individu, maar ook voor de samenleving. Iemand iets uit kunnen leggen, of een idee goed weten te presenteren is in andere sectoren dan het onderwijs vaak net zo waardevol.

Het besef lijkt langzaamaan te komen dat lesgeven op een universiteit niet vanzelf goed gaat, en dat is op zich al winst. Toch hebben veel instellingen nog een lange weg te gaan om dit besef werkelijk te internaliseren. Dat zal moeten beginnen bij het investeren in de jonge, en vaak tijdelijke, werknemers al was het maar omdat er simpelweg geen alternatief is.


Die excellentie bij de universiteit schaadt de gemiddelde student

Deze blog publiceerde ik op 5 oktober j.l. op nrc.nl.

Kort geleden was ik uitgenodigd op een symposium van de studentenvereniging ASVA om een kleine presentatie te houden over excellentiebeleid. Daar besprak ik de opkomst van het idee van excellentie in het onderwijs en wierp ik de vraag op: voor wie eigenlijk? Wie profiteert er nu eigenlijk van honoursmodules en university colleges, en wat hebben we daar als collectief nu eigenlijk aan?

Het excellentiebeleid in Nederland heeft veelal hetzelfde uitgangspunt: de slimste en meest ambitieuze studenten moeten meer uitdaging krijgen dan het ‘standaardprogramma’ en voor hen moet iets speciaals georganiseerd worden.  De discussie daargelaten of het mogelijk is om deze excellente groep met enige precisie aan te wijzen is dit een rechttoe-rechtaan benadering die op het volgende neerkomt: je selecteert vwo’ers met een hoog eindexamengemiddelde voor university colleges, en studenten met een 8+ mogen meedoen in het honoursprogramma.

Een bekend argument waarom deze investering in een selecte groep ook ten gunste komt van de algemene studentenpopulatie is de veelbelovende kruisbestuiving. Investeren in de beste tien procent zal het gemiddelde van iedereen omhoog trekken is de belofte. De argumentatie hiervoor gaat als volgt : best practices uit de klas bij de honoursmodule kunnen worden ingezet in het reguliere vak kwantummechanica, topdocenten van de university colleges komen lesgeven in de masteropleiding Antropologie. Zodoende pikt iedereen een graantje mee. Überhaupt schept de aanwezigheid van excellentie al een nieuw klimaat waarin de normale student wordt uitgedaagd om ook bij de club te horen. De zweem van ambitie sijpelt als het waren naar buiten door de ruiten van het Liberal Arts college.

Excellent isolement

Op het eerste gezicht lijkt deze beloofde kruisbestuiving een aanlokkelijk argument waarom instellingen aanzienlijke bedragen mogen investeren in excellentiebeleid. Maar laten we deze beloftes dan eens naast de werkelijkheid leggen. Wat gelijk opvalt is dat veel, zo niet alle, university colleges in Nederland alleen al qua locatie in relatief isolement liggen. Bijna allemaal hebben ze een eigen gebouw, met omringende studentenhuisvesting, en alhoewel deze hier en daar op de campus van de universiteit zelf liggen is dit meer uitzondering dan regel. De meeste colleges liggen in relatief isolement en van interactie tussen excellente en gewone student is weinig sprake.

Wat docenten betreft is er wel redelijk wat uitwisseling. Opvallend is dat het hier hoofdzakelijk gaat om docenten uit het reguliere programma die les komen geven honoursmodules, en niet andersom. Het is voor university colleges lastig om onderzoekers voor de klas te krijgen, omdat veel van deze colleges pure onderwijsinstellingen zijn en geen onderzoeksprogramma’s hebben. De goede docenten uit het reguliere programma worden dus maar al te vaak ingezet voor het onderwijs van excellente studenten, de gemiddelde student krijgt hier weinig voor terug. Ook het uitwisselen van onderwijsvormen komt maar langzaam op gang omdat het toch wel echt om verschillende werelden gaat – zo is het erg lastig om 300 eerstejaars les te geven in carréopstelling, of ze kritisch denken aan te leren middels een Socratisch gesprek.

Al met al krijgt de gewone student dus maar weinig terug van de miljoeneninvesteringen die universiteiten doen in het excellente onderwijs van anderen. Sterker nog, het is de vraag of ze er niet op achteruit gaan. Het feit dat veel van de initiële investeringen uit ‘een ander potje‘ zijn gekomen verzacht de wonden enigszins maar de vraag is wie er gaat betalen als deze middelen opraken.

 


Doneren aan de beren

Zoals de lezers van mijn blog wel zullen weten ben ik al geruime tijd betrokken bij deFusie: de plek waar jonge academici, filosofen, kunstenaars en schrijvers elkaar vinden op het web. In de afgelopen jaren heeft deFusie enorme stappen richting volwassenheid gezet. Zo publiceert deFusie al vier jaar bijna dagelijks een inhoudelijk sterk artikel, hebben we een aantal prachtige bulletins zoals de Letter, het Beeld en het Verhaal weten op te zetten en zelfs een off line talkshow op de wereld gezet: de Idee.

Voor lange tijd heeft deFusie het als stichting moeten rooien op de inkomsten van de Idee en middelen van de redactie- en bestuursleden zelf maar daar kun jij vanaf vandaag verandering in brengen door op deze knop te drukken. Elke donatie is welkom, groot of klein. Het kan (heel handig) via PayPal of gewoon op de ouderwetse manier.

En waar hebben we dat geld dan voor nodig, we doen toch alles vrijwillig? Ja dat klopt mar denk aan het huren van serverruimte, het onderhouden (en bug-vrij houden) van de website en het vergoeden van onkosten voor sprekers. Ook hebben we plannen om de site te verbeteren en met regelmaat een werkruimte voor de redactieleden te huren waarvoor extra middelen nodig zijn.

Dank alvast voor je donatie!